Geen toeval dat meest hardvochtige landen zich verzetten tegen voedselhulp

De landbouwministers van de 27 lidstaten van de EU zijn het niet eens geraakt over het behoud van de voedselhulp aan de armsten in de Unie. Miljoenen Europeanen dreigen nog dieper de armoede ingeduwd te worden.

Aanvankelijk had de Commissie op 20 juni, onder druk van enkele lidstaten, beslist het voedselhulpprogramma met 80 procent te verminderen, van 500 miljoen naar 113 miljoen euro. Dat stond in schril contrast met de Europese doelstellingen om de armoede tegen 2020 met 25 procent te verminderen. In België alleen zijn bijna 225 000 gezinnen afhankelijk van voedselhulp. Ongeveer de helft van de Belgische voedselhulp - zo’n 11 miljoen euro - is afkomstig uit het Europese voedselhulpprogramma. In juli nog overhandigden wij als Vlaamse en Franstalige sociaaldemocraten uit protest een voedselpakket aan Europees president Herman Van Rompuy.

Het voedselhulpprogramma putte uit de Europese landbouwoverschotten, maar nu die overschotten er steeds minder zijn, werd voedselsteun steeds vaker omgezet in financiële steun. Een aantal lidstaten onder leiding van Duitsland, vond dat dergelijke hulp niet tot het landbouwbeleid behoort en wilde ze daarom afschaffen. Dit zijn niet toevallig ook de meest hardvochtige landen als het vandaag gaat over solidariteit met lidstaten die door de crisis getroffen worden. Ze argumenteren dat voedselhulp een sociale beleid is dat beter aan de lidstaten wordt overgelaten. Dat is tekenend voor een liberale visie op Europa die enkel economisch, maar zelden sociaal is. Wij vinden dat Europa zelf een sterk sociaal beleid moet ontwikkelen. Het zijn diezelfde hardvochtige landen die zich nu opnieuw verzet hebben tegen het behoud van de Europese voedselhulp, met name Duitsland, Groot-Brittannië, Nederland, Tsjechië, Denemarken en Zweden.