Een warm nest met vier kinderen: drie meisjes en een jongen. Daar groeide ik in op. Een gewoon Vlaams gezin. Mijn vader was havenarbeider en mijn moeder gaf les. We hadden niets te kort en ook niets te veel. Als kind dacht ik wel al eens dat we arm waren omdat we niet alles kregen wat we vroegen.

Mijn puberteit is voor mij een zeer moeilijke periode geweest waar ik nu echter met veel warmte op terugkijk. Het was voor mij een turbulente tijd. Uiteindelijk ben ik van school gevlogen. Op de strengkatholieke school waar ik zat, mocht je niet buiten de lijntjes kleuren. Ik zei te vaak wat ik dacht, had vriendinnen die het slechte pad opgingen en experimenteerde met allerlei dingen. Mijn ouders hadden totaal geen grip meer op hun dochter. Toen ik van school gestuurd werd, kreeg ik een déclic en heb ik beslist iets van mijn leven te maken. Achteraf bekeken is het een mooie levensles geweest. Ik ben daarna op de universiteit overal door 'gewandeld' en heb geen enkel jaar moeten overdoen. 

Waarom de socialisten?  

Ik ben eigenlijk naar de universiteit gegaan om politicologie te studeren, hoewel politica het laatste was wat ik wilde worden. Maar ik was wel heel erg in actualiteit en politiek geïnteresseerd. Ik kom zelf niet uit een socialistisch nest. Ik ben socialist geworden door een paar maanden mee te werken aan een aantal armoedeprojecten in Antwerpen. Daar zag ik wat de samenleving sommige mensen kan aandoen en hoe ongelijk de kansen verdeeld zijn. Omdat ik daar dag in dag uit geconfronteerd werd met oneerlijkheid doe ik vandaag wat ik doe en doe ik het met overtuiging. 

In de politiek  

In 1999 ben ik onverwacht in het Europees parlement terecht gekomen. Voor ik politiek actief werd, werkte ik al bij sp.a achter de schermen. Eerst op de studiedienst, later werd ik politiek secretaris bij toenmalig voorzitter Louis Tobback. Na de parlementsverkiezingen van 1999 ging ik aan de slag als adjunct-kabinetschef bij Vlaams minister voor Werkgelegenheid Renaat Landuyt. 

Een politieke loopbaan plan je niet. Dat bleek al vlug wanneer Peter Bossu, eerste opvolger van Frank Vandenbroucke, na 6 maanden zijn mandaat als europarlementslid opgaf. Van mijn eerste periode in het Europees parlement zal me altijd mijn strijd tegen de liberalisering van de havendiensten bijblijven. Op het moment dat dit dossier op tafel kwam was ik in de haven van Antwerpen. De dokwerkers zeiden mij: "Daar ga jij toch niets aan veranderen!" Ik vreesde dat ook maar na twee jaar strijd -ik in het parlement en de havenarbeiders met hun acties- werd de richtlijn weggestemd. Dat was tot nu toe één van de mooiste momenten uit mijn politieke loopbaan. Ook voor de havenarbeiders die dachten dat er met politiek niets te veranderen was. 

In 2003 werd ik staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het Werk. We beten ons vast in verschillende dossiers, maar mijn passage was slechts van korte duur. Nog geen jaar later werd ik lid van de Vlaamse regering als minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen. Vanuit mijn bevoegdheden zijn het fietsbeleid, de creatie van ruim 6000 jobs in de sociale economie en een performant openbaar vervoer belangrijke verwezenlijkingen. Als er op het einde van de rit een beter openbaar vervoer is, dat de bewoners van de steden beter zullen kunnen ademen, dat je mensen aan werk geholpen hebt en dat iedereen kansen krijgt in het leven, dan weet je waarvoor je het allemaal doet! 

Sinds juli 2009 zetel ik opnieuw in het Europees parlement. Daar volg ik de dossiers industrie, onderzoek, energie en milieubeheer, volksgezondheid, voedselveiligheid en ontwikkelingssamenwerking op. Sinds juli 2014 ben ik ook vice-voorzitter van onze sociaaldemocratische fractie in het Europees parlement.