Omslag van strikt bezuinigen naar ook investeren is kleine Europese revolutie

Maar nog veel onduidelijkheid over financiële spitstechnologie van Juncker

Misschien de belangrijkste verdienste van het investeringsplan dat Commissievoorzitter Juncker heeft voorgesteld, is dat het er is. Het toont immers aan dat de commissie eindelijk erkent dat er ook moet geïnvesteerd worden, willen we Europa uit de crisis tillen. Met alleen rabiate besparingen lukt het niet. Maar of het plan ook kans op slagen maakt, daar bestaan nog grote twijfels over.

Al enkele jaren zeggen de sociaaldemocraten dat de neo-liberale besparingsfetisj van de vorige commissie Barroso Europa meer kwaad dan goed heeft gedaan. De begrotingen van de Europese lidstaten moesten, nadat de belastingbetaler de banken heeft moeten redden, op orde worden gebracht, maar daarnaast moest er ook geïnvesteerd worden, was ons standpunt. De nieuwe commissie geeft ons nu eindelijk gelijk en stelt een lang verwacht investeringsplan voor. Dat er een investeringsplan is, is dus goed nieuws, omdat het aantoont dat Europa bereid is af te stappen van haar strikte besparingswoede.

Over het plan zelf zijn er echter heel wat opmerkingen te maken, hoewel het nog wat vroeg is om alle gevolgen van het plan goed te kunnen inschatten. Juncker maakt immers gebruik van ingewikkelde en vrij risicovolle financiële technieken om de 315 miljard investeringen mogelijk te maken. “Een belangrijke kritiek is dat Juncker geen vers geld voorziet, maar het startkapitaal verschuift uit bestaande EU budgetten. Die worden, via leningen, als een hefboom gebruikt om privé-kapitaal aan te trekken. Wij maken ons vooral zorgen over het wel heel grote hefboomeffect dat Juncker voorop stelt en vragen ons af of dat wel realistisch is.

Juncker nodigt de lidstaten ook uit om mee te investeren in het Europese Investeringsfonds. Die middelen zullen de lidstaten buiten hun begroting kunnen houden, wat een heel goede zaak is en wat ook wij al lang hebben gevraagd. Dat voorstel van budgettaire flexibiliteit moet echter nog wel goedgekeurd worden door de Raad. Ik roep de Raad dan ook op om het voorstel van de Commissie te volgen. Voor ons zou de flexibiliteit nog verder kunnen gaan en ook investeringen die betrekking hebben op de co-financiering van grote, duurzame en toekomstgerichte infrastructuurprojecten die zichzelf terugbetalen, zoals investeringen in energie-efficientie, mogen omvatten.

Ten slotte moet nog uitgeklaard worden of de middelen van het investeringsplan wel terecht komen waar ze moeten terecht komen. Juncker maakt duidelijk dat het niet de bedoeling is te investeren in om het even wat. Ook dat was een belangrijke vraag van de sociaal-democraten. De investeringen moeten de reële economie ten goede komen en gaan dus voor een groot deel naar de ondersteuning van KMO’s, die de ruggengraat vormen van de Europese economie. Verder wordt er geïnvesteerd in CO2-reductie, hernieuwbare energie, research en development en de digitale agenda. Een ‘investment advisory hub’ moet bepalen welke projecten in aanmerking komen voor financiering. Vooral de investeringsruimte die aan KMO’s wordt gegeven, moet echter uitgeklaard worden. Dat Juncker de KMO’s sterk wil ondersteunen, is uiterst belangrijk en krijgt dus onze volle steun, maar ook hier moet duidelijk zijn dat de investeringen moeten gaan naar duurzame en toekomstgerichte projecten.

De Europese sociaal-democraten vinden alvast dat het afstappen van het blinde besparingsdogma een kleine Europese revolutie is. We bevinden ons nu op een keerpunt. De lidstaten moeten nu de moed hebben om meer publieke middelen in het fonds in te brengen om zo ook méér privé-kapitaal te genereren. Dat Juncker heeft aangegeven dat zijn plan kan doorgetrokken worden na drie jaar, als het inderdaad de investeringsgraad kan verhogen en meer jobs kan creëren, is alvast hoopvol.