Energie-efficiëntie hoog op Europese investeringsagenda

Ik ben er in geslaagd de bestaande Europese programma's voor wetenschappelijk onderzoek en infrastructuur te vrijwaren bij het opzetten van het nieuwe investeringsfonds van Juncker. Dat fonds zal nu gefinancierd worden met de jaarlijkse begrotingsoverschotten. Maar ook erg belangrijk, en  verrassend gezien de  tegenwerking, besliste de industrie en energie commissie om 5 miljard euro te voorzien voor energie-efficiëntieprojecten.

In de commissie industrie en energie van het Europees parlement kreeg ik steun voor mijn voorstel om de financiering voor de EU garantie van 16 miljard voor het Europees Fonds voor Structurele Investeringen (EFSI) niet weg te halen bij bestaande investeringsfondsen zoals Horizon 2020 (wetenschappelijk onderzoek) en Connecting Europe Facility (investeringen in transport-, energie- en data-infrastructuur). Dat zou betekend hebben dat middelen die bijvoorbeeld gebruikt worden voor kankeronderzoek, geschrapt konden worden om als garantie te dienen voor andere investeringen. Dat leek me geen verstandige aanpak, vooral niet omdat er een beter alternatief bestaat.

Als rapporteur voor die delen van  de EFSI-verordening die bepalen waar het geld voor het investeringsfonds van Juncker vandaan moet komen en waaraan het besteed zal worden diende ik een voorstel om de bestaande investeringsfondsen met rust te laten en de middelen te halen uit de jaarlijkse begrotingsoverschotten van de Unie. Dat voorstel kon rekenen op de goedkeuring van de commissie industrie en energie. Voor ons was het uiterst belangrijk dat de bestaande fondsen voor wetenschappelijk onderzoek en innovatie, én interconnectiviteit inzake transport, energie en digitale verbindingen onaangeroerd bleven. Dat is ons met deze stemming gelukt.

Waar gaat het EFSI-geld naartoe?

We zijn er ook verrassend in geslaagd een belangrijk deel van de EFSI garantiemiddelen door het parlement te laten oormerken. Een partij-overschrijdend amendement dat 5 miljard euro - van de voorziene 21 miljard aan EU-garantie - apart zet voor investeringsprojecten die betrekking hebben op energie-efficiënte werd immers goedgekeurd door de commissie industrie en energie. 

In de energiesector zijn er belangrijke investeringen nodig. Vooral op vlak van energiebesparingen in gebouwen en industrie is de investeringskloof immens. Terwijl hier volgens een studie van de Europese Investeringsbank jaarlijks 112 miljard aan investeringen nodig zijn, wordt in de praktijk minder dan de helft effectief op tafel gelegd. De investeringskloof bedraagt hier niet minder dan 70 miljard €. Het gevolg is dat de meest milieuvriendelijke en goedkoopste energiebron van allemaal, die van energiebesparing, het meest verwaarloosd wordt en dat de doelstellingen die we binnen Europa hadden vooropgesteld op vlak van een verbeterde energie-efficiëntie (20% tegen 2020) niet worden gehaald. Het is dan ook een bijzonder belangrijke verwezenlijking dat de sociaal-democraten er in geslaagd zijn energie-efficiënte hoog op de investeringsagenda te plaatsen. Daarmee bevestigt de energiecommissie ook dat energie-efficiënte moet gezien worden als de ‘eerste brandstof' in Europa.

Ik wilde bovendien dat EFSI middelen prioritair terecht zouden komen bij KMO’s, die de ruggengraat vormen van de Europese economie. In Zuid en Oost-Europa geeft meer dan 20 procent van de KMO’s aan dat toegang tot kapitaal hun belangrijkste probleem is. Een Europese garantie voor bepaalde investeringen kan banken en andere kapitaalverschaffers over de streep trekken om toch te investeren. Daarom ben ik tevreden dat de commissie ook 5 miljard euro garanties apart houdt voor investeringen in KMO’s.

Tot slot slaagde ik er in om met duidelijk afgebakende investeringsdomeinen en kwaliteitscriteria richting te geven aan de investeringen. Er wordt een bijzondere focus gelegd op energie-efficiëntie (in het bijzonder op vlak van vraagrespons en gebouwen(r)enovatie), hernieuwbare energie, interconnecties en slimme netten, energieopslag, grondstoffenefficiëntie, innovatie en onderzoek en ontwikkeling, de digitale sector en de culturele en creatieve sector. Die laatste sectoren waren volledig afwezig in het voorstel van de Commissie. De door mij voorgestelde en door de commissie industrie en energie goedgekeurde criteria vereisen uiteraard ook dat de projecten bijdragen aan de totstandkoming van een slimme, duurzame en inclusieve economie.