De Europese begroting saai? Vergeet het...

De Europese Unie ligt de laatste tijd stevig onder vuur. Ze slaagt er nauwelijks in de crisis aan te pakken en de verdeeldheid tussen de lidstaten is groter dan ooit. Verontrustender nog is dat de Unie door de Europese bevolking stilaan als de boeman wordt gezien. Tegen die achtergrond worden op de Eurotop van donderdag de debatten verder gezet over de nieuwe Europese meerjarenbegroting, die de Europese budgetten voor de periode 2014-2020 moet vastleggen. Ondertussen zitten de gesprekken over de begroting van 2013 muurvast. Dat voorspelt niet veel goeds voor de meerjarenbegroting die donderdag op de tafel van de Europese Raad ligt. De lidstaten willen immers bezuinigen, de Commissie wil het budget enkel laten stijgen in lijn met de inflatie en het parlement wil dat Europa over extra middelen kan beschikken. Kortom, de drie hoofdrolspelers willen elk iets anders, wat nog maar eens de verdeeldheid in de Unie bevestigt. 

Solidariteit

Je kan je schouders ophalen bij het politieke gekrakeel over centen, maar in werkelijkheid is deze discussie van het allergrootste belang voor de toekomst van de Unie. De Europese begroting is immers het enige solidariteitsmechanisme in de Unie. Gemiddeld beschikt Europa jaarlijks over ongeveer 141 miljard euro te besteden middelen. Dat is een pak geld, maar het is goed te weten dat het slechts 2 pct is van alle overheidsuitgaven in de EU, namelijk die van alle lidstaten én de Unie samen. Waar de lidstaten hun middelen vooral aan administratie en publieke diensten uitgeven en slechts in beperktere mate aan investeringen, is de Europese begroting vooral een investeringsbegroting. Bovendien is de Europese begroting eigenlijk een herverdelingsmechanisme: lidstaten storten geld door aan de Unie, die daarvan 94 procent laat terugvloeien naar projecten in de lidstaten. Het gevolg is dat er nettobetalers zijn - lidstaten die meer betalen dan ze terugkrijgen - en netto-ontvangers - lidstaten die meer krijgen dan ze betalen. Precies hier komt de aap uit de mouw. Dat solidariteitsmechanisme staat onder druk. Nettobetalers zoals Groot-Brittannië of Nederland willen niet meer opdraaien voor landen die het moeilijker hebben. Dat zet uiteraard de hele Europese constructie op de helling, want de Unie is precies gebouwd op onderlinge solidariteit die er voor moet zorgen dat door samenwerking de hele Unie het beter doet. Maar zoals we de afgelopen jaren al zagen, graaft de financiële crisis dat hele solidariteitsmechanisme onderuit. Bovendien zijn het net die landen die vinden dat er ‘samen’ bezuinigd moet worden, die willen verhinderen dat lidstaten écht solidair met elkaar zijn. Samen bezuinigen kan, samen iets opbouwen kan niet.
 
Macht
 
Zoals gezegd wordt de Europese begroting vooral gespijsd door bijdragen van de lidstaten. Dat hoort eigenlijk niet zo te zijn. Het Verdrag van Rome, het stichtingsverdrag van de Unie, ging er van uit dat Europa zichzelf zou financieren met eigen inkomsten. Dat is precies wat het Europees parlement vandaag opnieuw eist. Die inkomsten kunnen komen van douaneheffingen, van een financiële transactietaks en van een belangrijk deel van de BTW-inkomsten. Dat betekent niet dat burgers plots meer belastingen moeten betalen aan de Unie. Want wat de Unie aan eigen inkomsten binnen krijgt, moeten de lidstaten niet meer betalen. Tegen 2020 zouden de lidstaten zo hun bijdragen kunnen verminderen met 40 procent. Het grote voordeel zou zijn dat de lidstaten niet telkens weer met getrokken messen tegenover elkaar staan, als ze over hun bijdragen aan de Unie moeten discussiëren. Dat zou de solidariteit tussen de lidstaten ten goede komen. En toch willen de lidstaten hier niet van weten. Wie weinig moet betalen, heeft ook veel minder in de pap te brokkelen. En daar draait het om: Macht. Landen als Duitsland vrezen dat hun invloed op de Unie dan zal afnemen. Er speelt nog iets. Nettobetalers zoals Groot-Brittannië hebben in duistere achterkamers allerlei kortingen afgedwongen op hun bijdragen. Kortingen die nooit door een parlement zijn goedgekeurd en die dus ontsnappen aan elke democratische controle. Ze vrezen die kortingen te zullen verliezen als Europe eigen inkomsten genereert.
 
Investeren in groei en jobs
 
Het Europese parlement is dat gezeur van de lidstaten over hun bijdragen grondig beu. We lossen de crisis niet op met bezuinigen alleen, maar eveneens met krachtige investeringen in duurzame groei en jobs. Natuurlijk kan er bezuinigd worden op nutteloze uitgaven zoals de kost van twee zetels voor het Europees parlement, één in Brussel en één in Straatsburg. Maar de stijgende jeugdwerkloosheid bestrijden we niet door minder middelen te besteden: daarvoor hebben we een Europese jeugdgarantieregeling nodig die werkloze jongeren het recht geeft op ofwel een baan, ofwel een stage ofwel een opleiding. Wij vragen ook dat verwaarloosde thema’s zoals energie, klimaat en armoedebestrijding eindelijk ernstig aangepakt worden. Ook daar zijn groei en jobs te creëren. Wij willen dat minstens 20 procent van de Europese begroting naar de strijd tegen klimaatverandering gaat. Dat betekent ook dat er geïnvesteerd moet worden in innovatie, onderzoek, in onze industrie en KMO’s. Het Europees parlement heeft nu gelukkig behoorlijk wat meer macht gekregen en heeft een vetorecht als het over de Europese begroting gaat. Wij zijn in elk geval niet van plan de koehandel tussen de lidstaten de toekomst van de Unie te laten bepalen.