België moet oprichting Fonds voor Schone Lucht voor Europese steden actief ondersteunen

Op de Europese Dieseltop in Brussel roepen Europese steden, milieu- en gezondheidsNGO’s op om komaf te maken met de ‘vuile erfenis’ van het Dieselgate schandaal. “Niet alleen moeten alle sjoemeldieselwagens een verplichte hardware retrofit krijgen op kosten van de constructeurs, steden die zwaar getroffen worden door slechte luchtkwaliteit moeten een beroep kunnen doen op een pan-Europees Fonds voor Schone Lucht om de luchtkwaliteit te kunnen verbeteren,” zegt Kathleen Van Brempt, die als voorzitter van de onderzoekscommissie Dieselgate de Verklaring mee ondertekent. “Gezien de zeer slechte luchtkwaliteit in steden als Antwerpen en Brussel, moet Belgie het voortouw nemen om de oprichting van zo’n Fonds te ondersteunen.”

De Europese Dieseltop, georganiseerd door Eurocities, het Europese stedennetwerk, in samenwerking met de European Public Health Alliance (EPHA) en Transport & Environment (T&E) wil dat er concrete maatregelen genomen worden om komaf te maken met de 43 miljoen vervuilende dieselwagens die nog steeds op onze wegen rondrijden. Vertegenwoordigers van de Europese instellingen, universiteiten, de industrie, Europese steden en NGO’s buigen zich over de ‘vuile erfenis’ van Dieselgate. Europees Commissaris voor industrie Elżbieta Bieńkowska lichtte op de top de maatregelen toe die de Commissie reeds genomen heeft. “Maar die zijn lang niet voldoende,” zegt Europees parlementslid Kathleen Van Brempt. “Slechts 77 procent van de sjoemeldiesels van de VW-groep kregen een software retrofit, maar daar weten we inmiddels van dat die niet doeltreffend is. Het Europese Joint Research Centre (JRC) toonde aan dat na die software-retrofit die wagens op de weg nog steeds 3,7 tot 4,6 keer meer NOx uitstoten dan wettelijk toegelaten. Europa moet de constructeurs een verplichte hardware retrofit opleggen, zoals dat in de VS is gebeurd én controleren of de wagens na die hardware retrofit de Europese normen halen onder reële rijomstandigheden. Dergelijke retrofit moet uiteraard gebeuren op kosten van de constructeurs.” Het herstellen van sjoemeldiesels is dan ook een van de belangrijke punten in de Verklaring die vandaag in Brussel ondertekend wordt (zie bijlage).

“In ons land heeft ondermeer het curieuzeneuzen-project aangetoond dat de luchtkwaliteit in onze steden bedroevend is. Vorige week raakte bekend dat België voor wat schadelijke stikstofdioxiden betreft, tot de vier meest vervuilde landen van Europa behoort en dat Antwerpen zelfs op wereldschaal een van de meest vervuilde regio’s is. Er moet dringend iets gebeuren om de luchtkwaliteit in onze steden te verbeteren,” zegt Van Brempt. “Maar steden kunnen dat op hun eentje niet aan. Daarom pleiten we voor de oprichting van de pan-Europees Fonds voor Schone Lucht, naar analogie van een gelijkaardig fonds dat een jaar geleden in Duitsland werd opgericht. In dat Duitse Fonds zit 1 miljard euro, waarvan 250 miljoen ingebracht door de auto-industrie. In het Europese fonds zouden de constructeurs echter het grootste deel moeten storten. De rest kan komen uit de Europese begroting en/of uit bijdragen van de Europese lidstaten. Het Europese fonds moet minstens 3 tot 5 keer de omvang van het huidige Duitse fonds hebben.”

Van Brempt wijst er op dat in ons land precies dezelfde vervuilende wagens rondrijden als in Duitsland. “Het is unfair dat Duitse steden kunnen beschikken over middelen om de luchtkwaliteit voor hun inwoners te verbeteren, maar pakweg Belgische steden, of andere Europese steden niet. We kunnen niet aanvaarden dat op vlak van gezondheid er eerste- en tweederangs-Europeanen bestaan. Daarom moet de Belgische regering in de Raad het voortouw nemen om dergelijk pan-Europees Fonds voor Schone Lucht zo snel mogelijk op te richten.”

De middelen uit het fonds zijn bestemd voor steden die het zwaarst getroffen worden door slechte luchtkwaliteit. “Een stad als Antwerpen zou daar dus zeker gebruik van kunnen maken,” zegt Van Brempt. “Het is ook belangrijk dat die middelen gebruikt worden om de juiste transitie te maken, namelijk inzetten op openbaar vervoer én ervoor zorgen dat iedereen mee kan. Daarom zijn bijvoorbeeld ook sociale programma’s nodig voor mensen met lage inkomens die nog steeds een erg vervuilende dieselwagen bezitten, maar voor wie de aanschaf van een nieuwe wagen een financieel probleem is. Zij kunnen geholpen worden met middelen uit dat fonds. We denken verder ook aan hardware retrofits voor stadsbussen, aan programma’s om de tickets voor het openbaar vervoer goedkoper te maken, aan de promotie van fietsen in de stad of het schoner maken van de leveringen van goederen in de stad.”