Liefde is: je terugtrekken uit de fossiele sector

Vorige week maakte het grootste publieke beleggingsfonds ter wereld, het Noorse pensioenfonds GPFG bekend dat het zich heeft teruggetrokken uit risicovolle investeringen in ondermeer steenkool- en teerzandoliebedrijven. Het pensioenfonds maakt deel uit van een groeiende desinvesteringsbeweging die een uitstap uit de fossiele industrie bepleit. Volgende zaterdag vieren we niet enkel Valentijn, maar ook de Internationale Desinvesteringsdag. Liefde is: je terugtrekken uit de fossiele sector.

Het Noorse pensioenfonds, dat 742 miljard euro beheert, is het grootste publieke beleggingsfonds dat recent de keuze maakte om zich terug te trekken uit de fossiele industrie. Wereldwijd zijn er al door meer dan 180 instellingen voor 43 miljard euro beleggingen in de fossiele sector geschrapt. Voor die institutionele beleggers - pensioenfondsen, universiteiten, verzekeringsmaatschappijen, filantropische en religieuze instellingen, vakbewegingen…- wordt kapitaal aanhouden in olie-, steenkool of gasbedrijven te riskant. Want als we de opwarming van de planeet onder de kritieke 2 graden Celsius willen houden - een belofte die wereldleiders al eerder maakten - dan moet 80 procent van de beschikbare voorraden fossiele brandstoffen gewoon onder de grond blijven zitten. In Europa worden, volgens een studie gepubliceerd in Nature1, 89 procent van de kolen, 21 procent van de olie- en 6 procent van de gasreserves onbruikbaar.

Investeren in grondstoffen die nooit gebruikt kunnen worden, is economische onzin en dat hebben steeds meer beleggers begrepen. Beleggingen in de fossiele sector zouden wel eens ‘stranded assets' kunnen zijn, activa die waardeloos dreigen te worden. Tijdens de Lima-top van eind vorig jaar, waar de klimaatconferentie van Parijs werd voorbereid, schreef de Financial Times dat bedrijven als Shell en Exxon Mobile in 2035 niet meer zullen bestaan als er een ernstig en bindend klimaatakkoord wordt bereikt. In januari nog verklaarde Axa Investment Managers, dat 600 miljard euro beheert, dat “het klimaatrisico niet verwaarloosd mag worden in de beslissingen die investeerders maken,”2 en dat er vandaag voldoende alternatieven bestaan in de hernieuwbare sector.

Bij de fossiele industrie is de ernst van de zaak nog niet helemaal doorgedrongen. Vorig jaar spendeerde ze meer dan 585 miljard euro aan de zoektocht naar nieuwe fossiele bronnen. Daarbij krijgt de fossiele sector steun van dezelfde regeringen die straks in Parijs rond de tafel zitten om fossiele brandstoffen te laten uitdoven. In 2014 immers gaven de G20-landen samen nog 76 miljard euro3 subsidies aan de zoektocht naar nieuwe olie-, gas- en steenkoolvoorraden. Wereldwijd wordt er nog steeds vier keer meer subsidies gegeven aan fossiele energie dan aan energie-efficiëntie. Burgers moeten beseffen dat het - in tijden van ernstige besparingen - gaat om miljarden weggesmeten belastingsgeld.

De desinvesteringsbeweging startte in de Verenigde Staten, ondermeer aan de universiteiten, waar geëngageerde studenten en professoren hun academische overheden aanspoorden om zich terug te trekken uit fossiele beleggingen. Zo hebben studenten van het wereldvermaarde Harvard hun universiteit voor de rechtbank gesleept omdat ze niet enkel weigert om voor miljarden euro's investeringen terug te trekken uit de fossiele sector, maar ook gewoon verder gaat met investeren. Volgens de studenten brengt de universiteit niet enkel de toekomst van haar studenten in gevaar, investeren in de fossiele sector beschouwen ze ook als wanbeheer van publieke liefdadigheidsfondsen. In Zweden heeft de Chalmers universiteit toegezegd 5 miljoen Zweedse kronen te desinvesteren en in het Britse Oxford zetten de studenten hun universiteit nu stevig onder druk.

In Europa is de desinvesteringsbeweging nog vrij jong. De universiteit van Glasgow was de eerste academische instelling die fossiele investeringen schrapte, de Nederlandse gemeente Boxtel en het Zweedse Örebro deden hetzelfde. Ook medische instellingen zoals de British Medical Association4 willen van fossiele brandstoffen af.

Ondertussen hebben figuren zoals voormalig aartsbisschop Desmond Tutu, VN secretaris generaal Ban Ki-Moon en voorzitter van de Wereldbank Jim Yong Kim zich achter de campagne geschaard. Zij zouden wel eens navolging kunnen krijgen van paus Franciscus5 die in april een encycliek publiceert over de klimaatverandering. Waarnemers vermoeden dat die ook wel eens een oproep tot desinvesteren kan bevatten. Andere religieuze instellingen zoals de Uniting Church in Australië en de Wereldraad van Kerken hebben al aangekondigd te desinvesteren.

De desinvesteringsbeweging heeft inmiddels ook ons land bereikt. Vrijdag en zaterdag vervoegt het Kaaitheater in Brussel de wereldwijde desinvesteringscampagne tijdens de Global Divestment Day. Kunstenaars en activisten zullen zich daar niet enkel warm lopen voor de klimaatconferentie eind dit jaar in Parijs, maar ook ‘geheime missies’ uitvoeren in Brussel. Dergelijke initiatieven zijn toe te juichen. Ook in ons land houden institutionele beleggers nog steeds risicovolle investeringen in de fossiele sector aan. Over hoeveel geld dat gaat is niet bekend, maar het is wel geweten dat nagenoeg alle Belgische banken blijven investeren in klimaatschadelijke bedrijven. In 2010 ging het over 25 miljard6 kredietverlening, vermogensbeheer of investeringen in de fossiele sector, voornamelijk steenkool en olie maar ook ontbossing. Een recente studie van december vorig jaar van Fairfin toont ongeveer hetzelfde bedrag aan investeringen in de fossiele sector.

Ook in België kunnen institutionele beleggers nu aantonen dat zij verantwoordelijk willen investeren en bijdragen aan de omslag naar een duurzame economie. Dan laten we fossiele brandstoffen maar liever zitten waar ze zitten. Ook het Stenen Tijdperk eindigde niet omdat de stenen op waren, maar omdat de mens iets beter had gevonden om werktuigen van te maken. Voor energie geldt precies hetzelfde.

Dit opiniestuk verscheen op woensdag 11 februari in De Standaard.