Regels biobrandstof aanscherpen

Het Europees parlement slaagde er vandaag, tijdens een erg nipte stemming op quasi alle punten, ternauwernood in om de regels voor biobrandstoffen aan te scherpen. We weten inmiddels dat het gebruik van biobrandstoffen in de transportsector, zoals door Europa gepromoot in haar klimaatbeleid, negatieve effecten heeft op onder meer de voedselprijzen en op ontbossing. Niet alle biobrandstoffen helpen in de strijd tegen de klimaatverandering.

Europa stelde in haar klimaatbeleid, het zogenaamde 20-20-20 programma uit 2008, dat 10 procent van de brandstoffen in het transport van biologische oorsprong moet zijn. Omdat blijkt dat dit geen garantie is voor klimaatneutraliteit, is bijsturing dringend aangewezen, bijvoorbeeld door het gebruik van voedselgewassen als bron voor biobrandstoffen af te bouwen. We kunnen ook de nieuwe generatie biobrandstoffen, bijvoorbeeld op basis van afvalvetten- en oliën of algenkweek, een duw in de rug te geven. In de toekomst willen we ook dat de indirecte effecten op het gebruik van land, de zogenaamde indirect landuse change (ILUC) mee in rekening te brengen in de CO2-balans. Als landbouwgrond die eerder gebruikt werd voor voedselgewassen, gebruikt wordt voor de teelt van energiegewassen, is het indirecte gevolg vaak dat boeren bos gaan kappen om de verloren grond voor voedselgewassen terug te winnen. Dat kan uiteraard niet de bedoeling zijn.

Het parlement gaf vandaag, 11 september, zijn nipte goedkeuring aan het in rekening brengen van dergelijke ILUC-factoren voor biobrandstoffen vanaf 2020. Het zette ook een plafond van 6 procent (op een totaal van 10 procent) op biobrandstoffen die afkomstig zijn van voedingsgewassen tegen 2020. Dat is een gunstige evolutie, hoewel we moeten beseffen dat die 6 procent nog steeds een stijging van 20 procent betekent op het aandeel van landbouwgewassen dat vandaag gebruikt wordt voor biobrandstof. Gunstig is echter het signaal dat we geven aan de bedrijven die vandaag dergelijke biobrandstoffen maken. Ze weten nu dat ze tegen 2020 moeten omschakelen naar andere bronnen om biodiesel of bio-ethanol te maken. Het valt wel te betreuren dat er nog geen meerderheid te vinden is voor ambitieuzere doelstellingen. Dat werd zelfs bevestigd door deze stemming, die erg nipt was.

Bij de eindstemming vroeg de rapporteur, de Franse ex-leefmilieuminister Lepage (ALDE) een mandaat van het parlement om met de uitslag van de stemming te gaan onderhandelen met de lidstaten en de Europese commissie. Dankzij een rechts-conservatief blok, voornamelijk bestaande uit de Europese christendemocraten, kwam Lepage één stem te kort. Het trieste resultaat daarvan is dat de conservatieven die de afgelopen maanden ‘rechtszekerheid voor de industrie’ eisten, nu diezelfde industrie voor een veel langere tijd in de onzekerheid duwen. Een definitief akkoord tijdens deze legislatuur is nu onmogelijk gemaakt. Onzekerheid voor de industrie en een slecht signaal voor derdewereldlanden die vandaag al geconfronteerd worden met de kwalijke effecten van de productie van niet-duurzame biobrandstoffen.