Europese Raad toont gebrek aan ambitie inzake toekomst Europees energiebeleid

 Tijdens de Europese Top van deze week onderhandelen de regeringsleiders over de toekomst van het Europese energiebeleid. Dat moet garanderen dat gezinnen en bedrijven blijvend kunnen beschikken over betaalbare én duurzame energie. Maar de voorstellen van de Raad zijn uiterst vaag en volstrekt niet ambitieus. Een ambitieus energiebeleid kan ons uit de crisis loodsen, omdat het honderdduizenden jobs kan creëren. Er is dus nood aan belangrijke publieke investeringen in de energiesector. Bovendien moeten we absoluut bindende doelstellingen inzake hernieuwbare energie afdwingen. Op vraag van de Europese sociaaldemocraten riep het Europees parlement zopas op om dergelijke bindende doelstellingen onmiddellijk vast te leggen.

Het Europees parlement steunde vandaag de oproep van de Europese sociaaldemocraten (S&D) om de Commissie bindende doelstellingen te laten uitwerken voor de productie van hernieuwbare energie tegen 2030. S&D diende daartoe een amendement in, dat de steun kreeg van een meerderheid in het parlement. De Europese socialisten willen dat 45 procent van de energiemix in 2030 uit hernieuwbare energie bestaat. Vandaag is die doelstelling nog 20 procent tegen 2020, maar voor de verdere toekomst waren er geen bindende doelstellingen voorzien. Daarmee geeft het parlement ook een heel duidelijk signaal naar zowel de Commissie als de Europese Raad die zich morgen buigt over de toekomst van het Europese energiebeleid.
 
De Raad wil de toekomst van de Europese energiemarkt veilig stellen, met het oog op de groeiende vraag naar energie én de veiligstelling van de Europese competitiviteit. Daartoe doet ze een reeks voorstellen, maar het blijft echter een vage opsomming van algemene maatregelen, waaruit geen enkele ambitie blijkt. Bindende doelstellingen maken er bijvoorbeeld geen deel van uit. Bovendien rekent de Raad voor de financiering van de hervorming van de energiesector nagenoeg volledig op privé-kapitaal.
 
De energiesector heeft, indien de juiste keuzes gemaakt worden, het potentieel om Europa uit de crisis te loodsen. Helaas ondersteunt het huidige beleid deze opportuniteit niet. Dat is niet langer houdbaar, want het is vijf voor twaalf: Europa kampt met een gigantisch hoge werkloosheid, de industrie wordt bedreigd door schijnbaar goedkope energie uit de VS, zoals schaliegas, de energieprijzen stijgen en de klimaatbarometer staat in het rood. Maar de voorlopige conclusies van de Raad zijn uiterst zwak.
 
Nochtans zijn sommige keuzes evident. Inzetten op energie-efficiëntie, op hernieuwbare energie en op het optimaliseren van de energie-infrastructuur is cruciaal. Dat zegt ook de Europese Commissie. In haar communicatie over het energiepad richting 2050, definieerde de Commissie die drie investeringen als ‘no-regrets’ opties, keuzes waarvan we nooit spijt zullen krijgen. Het probleem is dat we serieus zullen moeten investeren om die drie opties te verwezenlijken. Het enige wat de Raad over investeringen kan zeggen, is dat de private sector ze zal moeten doen. Maar die kijkt vooral naar kortetermijnoplossingen, zoals het bouwen van steenkoolcentrales of het openhouden van verouderde kerncentrales. De private sector mikt op oude wijn in oude zakken. Dat is niet de weg die we moeten bewandelen. Willen we de juiste keuzes maken, dan zullen er ook belangrijke publieke investeringen nodig zijn die richtinggevend zijn voor ons toekomstig energiebeleid. Maar de Raad houdt de vinger op de knip. Dat betekent dat al haar verklaringen over het energiebeleid van de toekomst gewoon losse flodders zijn, die niet gedragen worden door een echt investeringsbeleid of door bindende doelstellingen. De risico’s die we daarmee lopen zijn gigantisch. Langer wachten met een ambitieus en duurzaam energieprogramma betekent dat de situatie enkel zal verslechteren én dat we nadien een wel erg gepeperde rekening zullen voorgeschoteld krijgen. Voor voor elke euro die we niét duurzaam investeren in onze energiesector vóór 2020, zullen we na 2020 4,3 euro extra moeten investeren om de bijkomende emissies te compenseren.
 
De vervanging van het verouderde Europese energie-infrastructuur kost volgens bovendien evenveel geld, of we nu kiezen voor verouderde en vervuilende technologieën dan wel voor 100 procent hernieuwbare energie. Dan wordt het toch vrij makkelijk om een keuze te maken. Maar die keuze maakt de Raad niet. Nochtans is hernieuwbare energie de enige energiebron die de energieprijzen op termijn kan laten dalen. Fossiele brandstof wordt immers steeds duurder en de milieu- en gezondheidsrisico’s zijn onverdedigbaar hoog. Toch blijven we maar discussiëren over het gebruik van fossiele brandstoffen, zoals schaliegas en steenkool. We moeten verder maximaal inzetten op energie-efficiëntie. We morsen nog steeds te veel met energie, terwijl energie-efficiëntie de goedkoopste én snelste manier is om onze rekeningen te doen dalen, onze afhankelijkheid van energie-import te verminderen en onze klimaatsdoelstellingen te halen. Bovendien zit ook hier een enorm jobpotentieel, vooral in de bouwsector, waar tegen 2020 tot 2 miljoen banen gecreëerd kunnen worden, als de huidige doelstellingen van 20 procent energie-efficiëntie gehaald worden.
 
Volgens mij zijn de keuzes die gemaakt moeten worden dus vrij duidelijk. Maar niemand heeft de moed hierin de leiding te nemen. Alleen de Unie heeft daartoe voldoende slagkracht. Snoeien in de energiebudgetten zou daarom een kapitale fout zijn. Daarnaast moet Europa de private sector en de lidstaten ondersteunen en dwingen tot actie. Daartoe zijn bindende doelstellingen, zoals nu voorgesteld door het initiatiefrapport van het Europees parlement onmisbaar. We moeten blijven ijveren voor een reductie van de CO2-uitstoot met 95 procent tegen 2050. Dat betekent dat we nu al een intermediaire doelstelling van 45 procent reductie moeten vastleggen tegen 2030. Zonder in te zetten op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie wordt het halen van die doelstelling onmogelijk. Daarom moeten we ook streven naar 20 procent energie-efficiëntie tegen 2020 en 40 procent tegen 2050. Ik vrees echter dat de plannen van de Raad niet in de buurt van dergelijke doelstellingen zullen komen. De Raad speelt op die manier met de toekomst van de Europese burgers én het Europese bedrijfsleven.